16-06-09

347 * Matthijs

(347) Marcel Matthijs, De kleine pardon, De Clauwaert, 1954

 

Het kwam niet in mij op, dat het maar de natuurelementen waren, een onweer, een donderbui, ik bedoel, notaris, een van die orkanen die elke zomer minstens een paar keer opsteken in de vallei van het Franse Noorden en zich ontladen op het hoger gelegen Vicieux met een lawaai als van een vechtende legertros.

11-06-09

346 * Lambert

(346) Line Lambert, 1920 of de hapering der dagen, Soethoudt, 1983

 

De seizoenen van de twintigerjaren waren meteorologisch betrouwbaar. De lentewinden stegen op in februari en nooit vroeger dan vijftien oktober waaide de herfststorm om het fruit van de bomen te schudden. De zomerdagen waren getrouw volwarm. Harde winters! Dagenlang opake lucht, ijsgang zonder dooi.

06-06-09

345 * de Pillecijn J

(345) Jef de Pillecyn, In de mist, Kofschip-Kring, 1983

 

… terwijl ik overdacht hoe het vroeger te St. Niklaas was, waar de speelplaats herschapen werd in een modderpoel na een volle regendag, zodat de hele bende gedwongen was tot een rondgang langsheen de muur van de ingebouwde binnenplaats; want stilstaan mocht niet, wij moesten zoals gevangenen rondlopen, maar praten mochten we wel.

01-06-09

344 * Mets

(344) Leo Mets, Oude bordeaux op volle kracht, De Clauwaert, 1985

 

Eric Coveliers betrok de verdieping boven een café in de Schildersstraat. Gezinslid: een kat, Piet. Terwijl hij zijn pistool in de schouderholster stak en zijn regenjas aantrok, dacht hij: Ik moet vanavond de gootsteen schrobben, de luchtjes komen eraf.

26-05-09

343 * Hauspie

(343) Maurice Hauspie, ‘De Wachter van Katadzjoeta’, Dilbeekse Cahiers, 1989

 

Toen zag ze wat Glans bedoelde. In het zuiden had de wind een wentelende zuil zo hoog als Oeloeroe zelf gevormd, waarin stof en grassen werden meegevoerd. Beneden zich zag ze hoe grote graspollen werden losgerukt en meegesleurd.

20-05-09

342 * K.

(342) Brigitte K., Nachtuil. Dagboek van een heroïnehoer, EPO, 1995

 

6 november

 

Een ontzettende storm gehad. Simon kwam me doodleuk vertellen dat hij zomaar eventjes een paar keer met Gisela – klerewijf – naar bed was geweest. En ook nog allebei de keren terwijl ik bezig was in regen, wind en bittere kou ons geld te verdienen.

15-05-09

341 * Dendooven

 

(341) Lucien Dendooven, De helle dageraad, De Clauwaert, 1963

 

Op een herfstdag zag hij voor het eerst Parijs. (…) De regen deed de auto’s glimmen.

09-05-09

340 * Herberigs

(340) Robert Herberigs, Pasterke Candeels, De magneet, z.j.

 

De herfst heeft volop ingezet vandage. ’t Regent bij geheele aalstukken en er buischt ‘ne wildeman van ’n wind, die de blâren van de boomen snukt en tegen de ruiten van mijn eetplaatse doet plakken.

02-05-09

339 * Boni

(339) Armand Boni, Abelard en Heloise. (Het verhaal van mijn ongelukken), Standaard, 1980

 

Op een druilerige avond zat ik bij kaarslicht over Augustinus gebogen en mediteerde aan de hand van zijn werk over de zonde en de zondestraf.

28-04-09

338 * Coolen

(338) Robert H. Coolen, De tas gevuld met waanzin, De Clauwaert, 1960

 

Foccart stapt uit zijn wagen, sluit hem af. De regen slaat hem in het gezicht. Het licht van de neonlampen silhouetteert zijn zware gestalte. Hij duwt de tochtdeur van de verlichte vestibule open, treedt binnen. ‘Smerig weer. Asjeblieft.’ De gegalonneerde portier vangt de druipende regenjas.

22-04-09

337 * Claes-Vetter

(337) Stephanie Claes-Vetter, Angst, De Clauwaert, 1960

 

Daar waren hele drommen kleine dieren, muizen en ratten, en uilen en apen, die dansten rondom haar heen en schaterden als duivels. Ze trokken aan het haar, aan de vingers, aan de tenen, ze grepen haar vast en bonden haar op een rad, dat haar verpletterde. De donder ratelde, de bliksem flikkerde, de kleine duivels lachten en krijsten en sprongen op, en om, en over haar heen.

16-04-09

336 * Matthysen

(336) Hugo Matthysen, Boer en bond, in Humo 27/3487, 03 juli 2007

 

Rochelend floot de wind tussen de pannen en de regen tempeestte de ruiten met doorzopen getrommel. Naargeestig was het in de keuken. Het wijf lag ziek te bed, en boerken Kevin keek door het raam, zich afvragend waarom hij dat eigenlijk deed.

12-04-09

335 * Walschap J

(335) Jacques Walschap, Mirjam, in Zeven rond de toren, VKL Kortrijk, 1984

 

Het afscheid is verward. De meesten zijn wat in de wind.

07-04-09

334 * Boschmans

(334) Jan Boschmans, De woudloper, in Zeven rond de toren, VKL Kortrijk, 1984

 

We weten het, hij heeft een hekel aan dit benepen, overbevolkt landje met zijn kleine konijnenbosjes, zijn molshoopheuveltjes, zijn tamme, vuile riviertjes, zijn grauwe luchtjes, zijn lauwe temperatuurtjes, zijn … kleinzieligheid.

01-04-09

333 * Moragie

(333) Max Moragie, Dodemanschantage, Manteau, 2004

De nazomerse warmte had plaatsgemaakt voor een herfstachtige kilte. Een ferm onweer was de voorbode geweest van nog meer wind en regen. Van Ransbeek liet de ruitenwissers van de Oldsmobile op hun hoogste stand over de voorruit bewegen.

25-03-09

332 * Fonteyne

(332) Norbert Edgard Fonteyne, Kinderjaren (Twee mussen voor een penning), Orbis en Orion, 1981 – herdrukken uit de Zuid-Nederlandse letterkunde, KANTL Gent

 

En bij regendag of dooi sipsapten dakgoten ringsomheen, welluidend en grillig als een oud spinet. (…) Wanneer de regendagen ons binnenshuis hielden zaten we op een stoel geknield voor het raam, en met de neusjes tegen de ruit droomden we over de dorpsplaats heen.

 

(Noot: er deed zich een aardbeving in West-Vlaanderen voor tijdens de begrafenis van de jonggestorven N.E.F., anno 1938)

20-03-09

331 * Messely

(331) Frank Messely, Woodland, Houtekiet – Signature, 2001

 

Terwijl ik daar lag, luisterend naar het zwakke geklaag van de wind en het getik van ijskristallen tegen de ruiten, scheen alles me opeens onecht toe. De volgende dag bleef het onheilspellend grijs.

15-03-09

330 * Stevens

(330) René Stevens, Makarov, Gopher, 2006

 

Het regende pijpenstelen. De grijze schrale hemel keilde bakken water op de blank staande straten. (…) Hij staarde naar de regendruppels die knetterend uit elkaar spatten op het raam.

10-03-09

329 * Van Ryssel

(329) Daniël Van Ryssel, De charmes van dagelijksheid (Literair dagboek Gent 1976), Yang, 1978

 

Nog eens naar de regen kijken, de deur langzaam dichtduwen en in de keuken een kop Nescafé klaarmaken.

05-03-09

328 * Leroy

(328) J. Leroy, Karel de Blauwer, Schets uit het smokkelaarsleven, Lannoo, 1944

 

’t Is avond en pikdonker, de wind blaast geweldig uit het Westen. ’t Is waterkoud, en alles voorspelt slecht weder. Bij Karel Velde is de kaars ontstoken en Sofie zit met haar kinders om de kachel.

01-03-09

327 * Moerenhout

(327) Peter Moerenhout, De waarheid als bijgerecht, verhaal in De Brakke Hond 94, 2007

 

Kalm en nonchalant verruilde hij de warmte van de taxi voor miezerige regen. Hij wist van regen die het gezicht van mensen kuste, maar dat was niet wat de regen nu bij hem deed. Het was eerder likken. Lauw en lang.

23-02-09

326 * Vandewijer

(326) Ina Vandewijer, Witte pijn, Davidsfonds/Infodok, 2000

 

(Piqsiq, de storm). Er steekt een lage grondwind op, aangevoerd vanuit de ijsvelden over zee. De wind wervelt langs mijn benen naar omhoog en de opgewaaide sneeuw die hij meevoert, prikt in mijn gezicht. Wat gebeurt er? Heb ik een wolk wind aan flarden geschoten?

19-02-09

325 * Baccarne

(325) Robert Baccarne, De klok luidde voort, Davidsfonds, 1968

 

Dan schiet een windstoot door het geopende deurtje, flitst door het trapgat naar boven en verzwindt door de galmgaten. De tochtstroom sleurt een steekvlam mee en in een oogwenk laait de hele tas. De toren brandt!

10-02-09

324 * Houben

(324) Jos Houben, Kreoon, Standaard – Agathon, 1981

 

Er kwam ergens een spleet. Ik viel erin, en ik viel – en ik werd ‘wakker’. Het regende pijpestelen. Ik lag in de modder, in de nacht, onder de vingers van de bliksem.

04-02-09

323 * Thomas

(323) Frans Thomas, Droog, Continental Publishing, 1998

 

Het regent, maar wij zullen samen schuilen onder één jas, heel dicht bij elkaar door de straten lopen tot we een gezellig en rustig plekje vinden. Marie-Rose, laat mij om de liefde Gods nooit meer los!

31-01-09

322 * Guirlande

(322) Christina Guirlande, Niet dringen alsjeblieft, De Vries – Brouwers, 2004

De wind blaast de laatste blaadjes van de bomen. Hij zwiept de takken tegen elkaar. ‘Er zit iemand op onze schommel!’ roept Sofie. ‘Ik zie niemand’, zegt Bas. ‘De wind zit op de schommel’, legt Sofie uit. ‘En die kan je niet zien. Je ziet alleen wat hij doet.’ Bas doet mee met de wind. Woeps! omhoog. Woeps! omlaag. Heen en weer. De wind wordt maar niet moe. Bas wel.

25-01-09

321 * Vermeersch E

 

(321) Etienne Vermeersch, De ogen van de panda (Een milieufilosofisch essay), Van de Wiele & Stichting Leefmilieu vzw, 1988

 

Op een morgen in het begin van het regenseizoen, ongeveer 3,7 miljoen jaar geleden, liepen er twee individuen – een vader met zijn zoontje wellicht – in de buurt van de Sadimanvulkaan in het huidige Tanzania. Waar ze naartoe gingen, dat weten we niet. Wel weten we dat er enkele uren voordien een vulkaanuitbarsting was geweest die het hele gebied met een laag fijne as had bedekt. Daarna was het beginnen regenen en zo werden de voetsporen van het tweetal heel nauwkeurig afgedrukt. Onder de brandende middagzon (…)

22-01-09

320 * Assal

(320) Saber Assal, In de schaduw van de druppels (vertaling Guy Commerman), uit A l’Ombre des Gouttes, Cerisier, 2000

 

‘Want al achttien jaar reis ik heen en weer tussen Tanger en Amsterdam, tussen de zon en de regen, mijn moeder moet er nu om lachen; zij zegt dat ik in de schaduw van de druppels leef … ja, zo is het ongeveer, mijn moeder heeft zelden ongelijk.’

16-01-09

319 * Harpman

(319) Jacqueline Harpman, Het strand van Oostende (vertaling Eef Gratama & Jelle Noorman), Thoth, 1993

 

Ik huiverde even. Léopold stond naast me, hij legde zijn arm om mijn schouders en samen keken we hoe ze de hoek om gingen en in de mistige avond verdwenen. Hij drukte mij zachtjes tegen zich aan. De regen viel als een mantel van smart en tranen op de verlaten straat neer.

 

11-01-09

318 * Peys & Dekoning

(318) Ilse Peys & Ivo Dekoning, De zaak van de verdwenen instrumentenman, Clavis,1996

 

‘Het wonder kan zich nu elk ogenblik voltrekken,’ zei hij gewichtig. Iedereen keek afwachtend naar de lucht die langzaamaan van kleur leek te veranderen. Eerst was hij nog zachtblauw, in overeenstemming met de gasten en met de wens van Mrs. Kindlight. Nu scheen hij doffer te worden. Het was alsof een schilder een potlood over de hemel uitgoot. Grijs werd grijsblauw. Grijsblauw liep over in staalblauw. Een vreemd, diep donkerblauw bleef uiteindelijk boosaardig boven hun hoofden hangen. Minnie hoorde dat iemand heel luid en diep inademde. Toen vielen de eerste druppels naar beneden. Niet zacht, maar brutaal, zonder een spoor van medeleven met de luchtig geklede gasten. Verschillende dames slaakten hoge gilletjes. Heel nabij klonk tromgeroffel. Een bliksemschicht maakte een hoekige bocht net boven hun hoofden. Het werd donkerder met de minuut. Minnie zag de gasten rondom haar wild rondrennen, op zoek naar een droge schuilplaats. ‘Imogen!’ riep ze. ‘Waar ben je?’ Er kwam geen antwoord. Iedereen gilde en vloekte door elkaar. Een rommelende donderslag barstte vlak boven hen uiteen. Enkele dames klemden zich vast aan de stam van de oude eik. ‘Weg!’ hoorde ze de weermaker met een dunne stem schreeuwen. ‘Weg van die boom!’