23-09-10

37: Mailer

(37) Norman Mailer, Een Amerikaanse droom (J.F. Kliphuis), Bruna, 1966

Het regende nu harder, een koude regen met een suggestie van ijzel op de stenen; ik opende Shago’s paraplu. De ra’s gleden omhoog langs de mast met het geluid van een inademing, die toen het doek zich begon te spannen schor, hijgend, astmatisch werd. Een stem klonk door de knop, en in mijn handpalm – die indruk had ik. ‘Ga naar Harlem,’ zei de stem.

13-09-10

36: Sjolochow

(36) Michail Sjolochow, Storm over Rusland (S. van Praag), Wereldbibliotheek, z.j.

Negentienhonderd zestien. October. Nacht. Regen en wind. Een boschrijke streek. Loopgraven in de nabijheid van een moeras, dat omgeven is door een haag van elzen. In de onderaardsche verblijven bespeurt men hier en daar een lichtje. (…) ‘Regent het?’ ‘Ja,’ antwoordde de bezoeker, die zijn mantel uittrok en deze benevens zijn drijfnatte pet aan een spijker ophing.

02-09-10

35: Remarque

(35) Erich Maria Remarque, Van het westelijk front geen nieuws (Annie Salomons), Erven J. Bijleveld, 1929

Ik heb dikwijls wacht bij het kamp van de Russen. In het donker zie je hun gestalten bewegen; het lijken dan wel zieke ooievaars of andere groote vogels. (…) Dikwijls staat er een heele rij naast elkaar; zoo staan ze den wind in te ademen, die over de hei en de bosschen komt aanwaaien. (…) Ik zie hun donkere gestalten en het waaien van hun baarden in den wind. 

25-08-10

34: Goddard

(34) Robert Goddard, Terugkeer naar Brighton (Bob Snoijink), BZZTôH, 2004

Het bankje in het dichtstbijzijnde schuilhokje was overdekt met regendruppels die fonkelden in het licht van de lantaarn. Ik meende een paar woorden Hongaars op te vangen vanuit de andere kant van het gebouwtje toen ik een deel van de nattigheid wegwiste. We gingen zitten. ‘De patattent is open,’ zei ik met een hoofdgebaar over mijn schouder naar het stalletje dat ik zojuist was gepasseerd. ‘Heb je zin in een zak?’ ‘Nee, dank je.’ ‘Wanneer hebben we voor het laatst een zak patat aan een winderig strand gedeeld, denk je?’

14-08-10

33: Pirsig

(33) Robert M. Pirsig, Zen en de kunst van het motoronderhoud (Ronald Jonkers), Bert Bakker, 1976

De zon schuift schuin op de wolk af die nu van onderen zwaar is opgezwollen en boven ons de horizon raakt, waar loofbomen en naaldbomen staan en er daalt een koele wind met dennegeur van de bomen over ons neer. De bloemen in de wei buigen in de wind en de motorfiets neigt een beetje en plotseling hebben we het heerlijk koel. Ik kijk Chris aan en hij glimlacht. Ik lach ook. Dan klettert de regen zwaar op de weg met een vleug aardgeur die opstijgt uit het stof dat al veel te lang heeft liggen wachten en het stof naast de weg wordt pokdalig door de eerste regendruppels.

07-08-10

32: Bazin

(32) René Bazin, Charles de Foucauld (Ontdekkingsreiziger van Marocco, heremiet in Sahara), J. Luyckx, z.j.

Van tijd tot tijd blies een onstuimige wind, die dikke stofwolken vormde, en ons zand in de oogen en kleine keitjes tegen het aangezicht joeg.

30-07-10

31: Asturias

(31) Miguel Angel Asturias, De doem van de mais (J.A. van Praag), Wereldbibliotheek & D.A.P. Reinaert, 1968

De orkaan deed de machtige woudreuzen als rieten zwiepen. De steunende aarde leek wel een ontzaglijke kruik waarvan de wanden barstten onder de stortvloed van versplinterende takken, die de hemel op de opgebolde struiken neerjoeg. Zelfs de haren van de paarden gingen overeind staan.

24-07-10

30: Barnes

(30) Julian Barnes, In de zon kijken (Tinke Davids), De Arbeiderspers, 1986

Wandelend onder de vlakke, neutrale hemel van die herfst, waar een zachte wind haar regenjas openblies en haar buik zichtbaar maakte, dacht ze soms aan sergeant-piloot Prosser.

15-07-10

29: Heller

(29) Joseph Heller, Catch-22, Ambo/Anthos, 1995

Hun enige hoop was dat het nooit zou ophouden met regenen, maar ze hadden geen hoop, want iedereen wist dat dat zou gebeuren. Toen het op Pianosa niet meer regende, regende het in Bologna. Toen het in Bologna ophield, regende het op Pianosa. (…) Hoe langer het regende, des te ellendiger ze zich voelden. En hoe ellendiger ze zich voelden, hoe meer ze baden dat er nooit een eind zou komen aan de regen. (…) De hele dag keken ze naar de bommenlijn op de grote kaart van Italië, gemonteerd op een wiebelende schildersezel die door de wind omver werd geblazen en onder de luifel van de inlichtingentent werd gezet als het weer begon te regenen.

07-07-10

28: Brontë Ch

(28) Charlotte Brontë, Jane Eyre, Amstelboeken L.J. Veen, z.j.

Na afloop van de middagdienst keerden wij terug langs een openliggende, heuvelachtige weg, waar de bitter koude winterwind, die over een keten van besneeuwde toppen uit het noorden blies, de huid bijna van onze gezichten scheurde.

01-07-10

27: Wallace

(27) Lewis Wallace, Ben Hur (F.A. Brunklaus), Gottmer & Reinaert-reeks, z.j.

En ze zagen het nu allen, hoe de kruisen op de heuveltop bewogen, als de masten van een schip in de storm. Maar het middelste kruis scheen met zijn last steeds hoger te stijgen, als wilde het de hemel in.

25-06-10

26: Dexter

(26) Colin Dexter, De doden van Jericho (Toby Visser), Centerboek, 1992

Het had de hele dag met tussenpozen geregend en dikke druppels kletsten tegen zijn voorruit terwijl hij de verlaten straat inreed en rondkeek naar een parkeerplaats. Mmm, moeilijk.

17-06-10

25: Brontë E

(25) Emily Brontë, Woeste hoogten (K. Luberti), Het Spectrum, 1969

Omstreeks middernacht, terwijl we nog op zaten, kwam er een woedende vlaag over Woeste Hoogten, terwijl het hevig bliksemde, en een van die twee spleet een boom die op een hoek bij het huis stond: een grote tak viel op het dak en vernielde een deel van de schoorsteen, waardoor met veel geraas een hoeveelheid stenen en roet naar beneden kwam en in het haardvuur viel.

08-06-10

24: Murdoch

(24) Iris Murdoch, De eenhoorn (N. Funke-Bordewijk), Contact/Skarabee, 1982

In vrees voor het huis liep ze naar het grote raam op de overloop. De regen lekte door het gesloten raam naar binnen en vormde plassen op de vloer. Ze keek naar de geelachtige, door de regen gegeselde tuin en met een schok ontwaarde ze een gestalte die naast een der zalmvijvers stond. Toen zag ze dat het Denis was. Maar het volstrekt alleen zijn daar in de regen en zijn snelle overplaatsing vanuit het huis naar de tuin verleenden hem iets griezeligs.

01-06-10

23: Capote

(23) Truman Capote, De grasharp/Een nachtboom (Joop van Helmond), De Arbeiderspers, 1984

Aan de voet van de heuvel ligt een veld waar hoog maïsgras groeit dat met de seizoenen van kleur verandert: ga maar eens kijken in het najaar, eind september, dan wordt het rood als een zonsondergang en strijken er vurige dieprode schaduwen overheen en tokkelt de herfstwind uit de droge bladeren een zuchtende, menselijke muziek, een harp van stemmen.

26-05-10

22: Malaparte

(22) Curzio Malaparte, De huid (P.Petersen), Manteau, 1982

Tegen het aanbreken van de dag begon de zwarte wind te waaien en doornat van het zweet stond ik op. In mijn slaap had ik zijn sombere, droevige stem herkend. (…) Zo als een blinde, die tastend voortloopt en met vooruitgestoken handen langs de voorwerpen strijkt, ziet de zwarte wind niet waar hij gaat, en nu eens raakt hij een muur, dan weer een tak, een andere keer een menselijk gezicht, een oever of een berg en in de lucht en op de dingen laat hij de zwarte afdruk van zijn lichte aanraking achter.

19-05-10

21: Márquez

(21) Gabriel Garcia Márquez, Ontvoeringsbericht (Arie van der Wal), Meulenhoff, 1996

De avond was ijzig koud en de wind huilde door de bomen als een roedel wolven, maar zij interpreteerde dit als een voorteken voor betere tijden.

12-05-10

20: Rushdie

(20) Salman Rushdie, De duivelsverzen (Marijke Emeis), Veen, 1989

Het landschap van zijn poëzie was nog altijd de woestijn, de zich verplaatsende duinen met van de toppen waaiende pluimen wit zand. Zachte bergen, onvoltooide reizen, het tijdelijke karakter van een tent. Hoe bracht je een landschap in kaart dat elke dag verwaaide tot een nieuwe vorm?

04-05-10

19: Zweig

(19) Stefan Zweig, Een schaak-novelle (Paul Huf), Keesing, z.j.

‘Remise.’ Er heerste een ogenblik van volkomen stilte. Plotseling hoorde men de golven bruisen en de radio van de salon uit de kamer binnen-jazzen, iedere stap op het promenadedek werd hoorbaar evenals zelfs het zachte en fijne suizelen van de wind door de kieren van de ramen.

26-04-10

18: Pasternak

(18) Boris Pasternak, Dokter Zjivago (Nico Scheepmaker), Bruna, 1961

Joeri Andrejevitsj sloeg enkele keren een hoek om, en was de tel al kwijt geraakt, toen de sneeuw plotseling heel dicht begon te vallen en er een ware sneeuwstorm losbrak, zo’n sneeuwstorm, die zich in het open veld jankend over de aarde uitspreidt, maar in de nauwe sloppen van de stad als een opgejaagde om zich heen slaat. (…) De sneeuwstorm sloeg de dokter in diens ogen en bedekte de gedrukte krantenregels met een grijze en ritselende sneeuwpap.

17-04-10

17: Joyce

(17) James Joyce, Ulysses (John Vandenbergh), De Bezige Bij, 1980

Maar zoals voor de bliksem de aaneengesloten onweerswolken, zwaar van hun buitensporige overlading aan vocht, een uitgezette massa, gezwollen en gerekt, aarde en hemel omvatten in een algehele sluimer, hangend boven versmachtende velden en dommelige ossen en verzengd struikgewas en lover tot in een enkel ogenblik een bliksemstraal hun midden uiteenrijt en met de weerkaatsing van de donder de wolkbreuk haar stromen uitgiet, zo en niet anderszins was de verandering, heftig en onmiddellijk, na het uitspreken van het Woord.

10-04-10

16: Allende

(16) Isabel Allende, Het huis met de geesten (Saskia Otter), Wereldbibliotheek, 1985

Ik moet op een zwarte vogelverschrikker geleken hebben met mijn in de wind wapperende rokkostuum, groot en mager was ik toen, voor ik begon te krimpen zoals Férula dat voorspeld had. De hemel was grijs en het zag ernaar uit dat het zou gaan regenen.

04-04-10

15: Vassalli

(15) Sebastiano Vassalli, De heksenschim (Annegret Böttner), Wereldbibliotheek, 1992

Daar, te midden van de huisjes, kwam je ook herders tegen die sprekend op de goede herder op de oudste christelijke schilderingen leken, met Romeinse sandalen aan hun voeten en een schaap op hun schouders, en overal waaide wel een briesje dat je prikkelde, stimuleerde, waardoor je je prettig en op je gemak voelde: de ponentino, de westenwind!

29-03-10

14: Mendoza

(14) Eduardo Mendoza, De stad der wonderen (Francine Mendelaar & Harriet Peteri), Arena, 1988

Het was een gure winteravond: de wind deed de regen tegen de ruiten kletteren. Zoals gewoonlijk had hij zich teruggetrokken in de bibliotheek. In de open haard brandden houtblokken: door het licht van de vlammen werd de schaduw van de markies, die bij het vuur was komen staan om zijn verkleumde botten te warmen, gigantisch.

22-03-10

13: London

(13) Jack London, De kruistocht van de ‘Snark’, Erasmus, z.j.

‘Stel je eens voor,’ zei ik dan tegen Charmian, ‘een storm op de Chineesche kust, en de ‘Snark’ bijgedraaid, met dien prachtigen boeg die recht in den storm bijt. Geen druppel zal er over dien boeg komen. Ons bootje zal zoo droog als een kurk zijn, en wij zullen met z’n allen beneden whist zitten spelen, terwijl de storm over ons heen giert.

16-03-10

12: McCarthy

(12) Cormac McCarthy, Kind van God (Guido Golüke), De Arbeiderspers, 1994

Toen hij weer de weg op liep, was het gaan waaien. Er sloeg ergens een deur, een spookachtig geluid in het lege bos. Hoog boven in de toren ging een deur piepend open en knalde weer dicht. Ballard keek om zich heen. Stukken golfplaat rammelden en bonkten in de wind en van het kale erf rond de loods van de steengroeve kwam een witte stofwolk aanwaaien.

08-03-10

11: Dickens

(11) Charles Dickens, Schetsen van Boz (J.A. De Groot-Brantjes), Het Spectrum, z.j.

Het geluid van houten tripschoenen, het geruis van paraplu’s en het rammelen van de winkelluiken door de wind leggen getuigenis af van het gure weer. De politieagent, met zijn oliejas tot zijn kin toegeknoopt, draait zich om, teneinde een wind-vlaag te ontgaan die hem de regen in het gezicht jaagt, en kan zichzelf niet bepaald gelukwensen met het vooruitzicht hier nog lang op post te staan.

03-03-10

10: Oë

(10) Kenzaburo Oë, Zijn ze plotseling hun mond verloren?, uit De hoogmoedige doden (Noriko & Pim de Vroomen), Meulenhoff, 1973

Opeens ging de zon onder. De bergen die het dal omringden werden donker. De wind kwam opzetten en rukte aan het gras onder de kastanjebomen. De schemering viel.

26-02-10

09: Potok

(09) Chaim Potok, De belofte (Peter Sollet & Ed de Moel), BZZTôH, 1989

In de eerste week van juni eindigde het voorjaarsweer ineens met een verzengende hittegolf. In die gloeiende hitte liepen de Chassidiem in de Lee Avenue flink te zweten in hun donkere kleren, maar in mijn blok wierpen de platanen hun schaduw op de straat en ’s avonds waaide het en kon ik door het open raam van mijn kamer de wind door de bladeren horen blazen.

19-02-10

08: Mann

(08) Thomas Mann, De dood in Venetië (Lotus Antwerpen), Allert de Lange, 1981

Een lauwe stormwind was opgestoken; het regende zelden en dan nog maar een paar druppels, maar de lucht was vochtig, zwaar en vervuld van rottingsdampen. Gefladder, gekletter en gesuis omgaf het gehoor, en de man koortsachtig warm onder de laag schmink, kreeg het gevoel dat een kwaadaardig soort windgeesten in de ruimte waarde. (…) Warme windvlagen voerden bij tijd en wijle een lucht van carbol aan.