13-11-14

104: Meade

(104) Glenn Meade, Sneeuwwolf (Theo Horsten), A.W.Bruna, 2001

Iemand had een krans van rode bloemen naast het graf gezet, dat herinner ik me, en toen zag ik de gevorkte bliksemschichten de grijze horizon verlichten en hoorde ik de donderslagen. Het was een van die zomerse onweersbuien waarbij de lucht boven Moskou ontploft als vuurwerk en de hemelsluizen opengaan. Een passend decor voor een begrafenis en, in mijn vaders geval, een nogal dramatisch einde van een dramatisch leven.

20-10-14

103: Ferguson

(103) Margaretha Ferguson, Brief aan niemand. Dagboekfragmenten 1948-1984, Nijgh & Van Ditmar, 1985

16 september 1948

’s Middags. Net heb ik door de zware zomermiddag over stille landweggetjes gefietst. De wind ritselde in de bladeren van het struikgewas langs de sloten, een bruin slangetje glipte weg voor mijn wiel. Dat stille alleenzijn met natuurgeluiden, eigenlijk geen geluiden, omdat ze zich niet onderscheiden maar deel zijn van de natuur, dat geeft me dikwijls het diepe gevoel: Dit is ‘de zin’ van het leven, dit onmiddellijk gegrepen worden, beleven. 

26-09-14

102: Jardin

(102) Alexandre Jardin, Fanfan (Jelle Noorman), De Arbeiderspers, 1991

Achter mij was de vloed aangezwollen door de storm die op volle zee leek te woeden. Ik rende, rende, richting kust, zonder er zeker van te zijn dat ik niet naar een andere zandkom holde. De kustlijn was nog te ver om te kunnen zien. Opgejut door de rollers, die, uitvloeiend, mijn voeten likten, ging ik recht vooruit en was ieder moment bang in drijfzand weg te zinken.

01-09-14

101: Terlouw

(101) Jan Terlouw, Oorlogswinter, Lemniscaat, 1972

Een novembermorgen in 1944. ’t Is doodstil in het dorp. Geen vliegtuig waagt zich in deze dichte, laaghangende bewolking. Auto’s zijn er bijna niet meer. De hele nacht heeft het zachtjes geregend. Nu is het vrijwel droog, maar uit de kletsnatte bomen druppelt nog steeds water. Het is windstil. Grijze mistroostigheid, waar je maar kijkt. De straten glimmen van de nattigheid. Een zwarte kat rent huiverend de straat over en verdwijnt in een schuurtje.

11-08-14

100: Lord

(100) Bette Bao Lord, Lente Maan (Mariëlla de Kuyper-Snel), Luitingh, 1982

De tyfoon, die door de afschuwelijke hitte was aangekondigd, woedde drie dagen langs de kust van China. Op zee werden er schepen door tot zinken gebracht, maar het land bleef gespaard. Volgens de berichten waren de gebroeders Tjang uit Su-tsjow twee van de velen die door de verdrinkingsdood om het leven waren gekomen.

19-07-14

99: Céline

(99) Louis-Ferdinand Céline, Dood op krediet (Frans van Woerden), Meulenhoff, 1979

Gisteren om acht uur is mevrouw Bérenge gestorven, de conciërge. Vannacht is ’t hard gaan stormen. Zo erg dat we hier in de nok zitten te trillen. ’t Was een lieve, trouwe vriendin, een best mens. Morgen wordt ze begraven op ’t kerkhof in de rue des Saules. (…) Ik wou dat de storm nog harder tekeerging, dat de daken instortten, dat het nooit meer lente werd, dat ons huis er niet meer was.

18-06-14

98: Homeros

(98) Homeros, Ilias (Onno Damsté), Het Spectrum, 1960

De brandstapel evenwel wilde geen vlam vatten. Toen bad Achilles tot de windgoden Boreas en Zefyros en beloofde hun schone offers als zij wilden komen en maken, dat de brandstapel vlam vatte en de lijken door het vuur verteerd werden. De bode der goden, Iris, hoorde zijn gebed en snel begaf zij zich naar het paleis van Zefyros, waar alle winden aan de maaltijd verzameld waren. (…) Boreas en Zefyros stonden terstond op en stormden naar buiten onder vervaarlijk gedruis, wolken voor zich uit stuwend, en over de zee, welker golven zich hoog verhieven, bereikten zij Troje en stortten zich op de brandstapel; knetterend laaide het vuur op.

29-05-14

97: Blixen

(97) Karen Blixen, Een lied van Afrika (Ruth Wolf), (1937), Nijgh & Van Ditmar, 1985

Er was een jaar dat de grote regenval uitbleef. Dat is een verschrikkelijke, huiveringwekkende ervaring en de planter die het heeft meegemaakt vergeet het nooit. Jaren later, als hij al lang niet meer in Afrika is maar in het vochtige klimaat van een noordelijk land, schiet hij ’s nachts overeind bij het geluid van een plotselinge regenbui en roept: ‘Eindelijk, eindelijk!’

03-05-14

96: Chambers

(96) Aidan Chambers, Dit is alles. Het hoofdkussenboek van Cordelia Kenn (Annelies Jorna), Querido, 2007

Maar goed, het begon te regenen, een zachte vroege mistige herfstmiezer, meer was het niet, maar genoeg om doorweekt te raken toen we weer naar huis scooterden. Ik vroeg hem binnen, had onderweg gefantaseerd hoe we elkaar de natte kleren zouden uittrekken, samen douchen en daarna vrijen.

08-04-14

95: van Gestel

(95) Peter van Gestel, Winterijs, Fontein, 2001

Wat me wel duidelijk werd: het regende de hele tijd in dat mooie boek van mijn vader, er hing een zware mist in de straten, schoenen lekten en steeds ging er eentje dood.

18-03-14

94: Daum

(94) P.A. Daum, Ups en downs in het Indische leven (1892), Nijgh & Van Ditmar, 1983

’t Was drukkend avondweer. Na een zware stortbui, had in de namiddag kort maar fel de zon geschenen en met zoetige, moerassige geur dampte het op uit de vochtige bodem in de warme atmosfeer.

26-02-14

93: Couperus

(93) Louis Couperus, Babel, P.N. van Kampen & Zn/Scriptoria-Standaard, 1977

Een schelle bliksemschicht viel als een vuur uit de lucht … De hemel barstte, de donder daverde en verratelde weg, over Babel …
Zware, dikke druppels kletterden … Nog eens viel het vuur, als met rechte strepen, uit de hemel, en ver ratelde de goddelijke donder … De hemel scheurde op: de blanke zondvloed stortte neer … 

13-02-14

92: Horowitz

(92) Anthony Horowitz, Alex Rider, Stormbreaker (Annemarie van Ewyck), Malmberg, 2007

Het had een rustige lentedag geleken toen Alex het kantoor van Royal & General verliet. Maar hierboven joeg de wind voorbij en kolkten de wolken.

21-01-14

91: Origo

(91) Iris Origo, Oorlog in Val d’Orcia (Toscaans dagboek 1943-1944) (Koen van Gulik), Contact, 1987

En nu wachten we op de winter en met de winter komt de noordenwind, de tramontana, die over de hoogtes veegt. Hij drijft de boeren naar binnen; hij geselde en rukte aan de krijgsgevangenen en partizanen tot ze wel moesten schuilen in de stallen van boerderijen, maanden achtereen.

28-12-13

90: Wibberley

(90) Leonard Wibberley, Voor vrijheid, gelijkheid en wat de pot schaft (D. Menger – de Neyn van Hoogwerff), Het Spectrum, 1967

Een koele bries, voorloper van de passaatwinden die over duizenden mijlen fonkelend blauw water kwamen aansnellen, ruiste door de bladeren van de kokospalmen langs het strand van het eiland Omo Lau. De bries voerde een pittige oceaangeur met zich mee en verdreef de zwoele sfeer die maandenlang over het eiland gehangen had. Achter het rif dat langs de oostkant van het eiland liep, werd het vaalgrijze zeewater door de wind opgezweept tot een vrolijk blauw watervlak, overdekt met schitteringen van zilver.

04-12-13

89: Nescio

(89) Nescio (J.H.F. Grönloh), Dichtertje/De uitvreter/Titaantjes, J.M. De Bois, 1918 (facsimile Nijgh & Van Ditmar, 1982)

Het was een maand later. Een veertien dagen had het wat gevroren, maar in ’t begin van die week was ’t weer plotseling omgeslagen. En nu was ’t avond en ’t stortregende. Den heelen dag had het bijna zonder ophouden gestortregend. Het water liep bij stralen langs mijn ruiten. Ik voelde me behagelijk.

11-11-13

88: Sachs

(88) Oliver Sachs, Een been om op te staan (Bab Westerveld), Areopagus, 1985/93

Een puur, intens genoegen, een zegening was het om de zon op mijn gezicht en de wind in mijn haar te voelen, om de vogels te horen en levende planten te zien, te voelen en te strelen. Zo werd het onmisbare contact met de natuur hersteld na de vreselijke isolatie en vervreemding die ik had ervaren.

15-10-13

87: van Eeden

(87) Frederik van Eeden, Studies,Vincent van Gogh, 1891, Servire, 1982

Maar ’t is somber en droef, en smartelijk om te zien. Een regen-landschap, beklemmend, angstig-somber. Een violet-vaal heuvelland, hoog oplopend met maar een klein stuk grijze regenlucht – niets daarop, oneindig sinister in zijn barre, doodse lijnen – en de stromende regen daarover, in witte straalstrepen erover, blinkend tegen ’t donkere land, zwartgrauw tegen de lucht, alles vermoordend in droefgeestigheid.

16-09-13

86: Coetzee

(86) J.M. Coetzee, Zomertijd (Peter Bergsma), Cossee, 2009

Ze stapt uit en leegt, op gepaste afstand, haar blaas. Er is een schraal windje opgestoken. Het is koud en het wordt nog kouder.

16-08-13

85: Larsson

(85) Stieg Larsson, Mannen die vrouwen haten (Tineke Jorissen-Wedzinga), Signatuur, 2008

Mikael knikte. Hij keek naar de lucht, waar zich regenwolken verzameld hadden. ‘Er komt onweer,’ zei Frode. ‘Als het erg hard gaat waaien, zal ik je ondersteunen.’ ‘Bedankt.’ Ze zwegen even. ‘Mag ik nog een borrel?’ vroeg Dirch Frode.

03-07-13

84: Giordano

(84) Paolo Giordano, De eenzaamheid van de priemgetallen (Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd), De Bezige Bij, 2009

Het enige geluid was de wind die tegen de top van de Fraiteve zwiepte, ritmisch onderbroken door het getik van de staalkabel waar Alice en Giuliana aan hingen, met hun kin diep in de kraag van hun jack om zich aan hun eigen adem te warmen.

09-06-13

83: Kearney

(83) Richard Kearney, Vertellingen (Ruud van de Plassche), Routledge, 2003

Healy weet het mooi te zeggen wanneer hij beschrijft hoe hij voor de eerste keer over regen probeerde te schrijven: ‘Ik kan me nog steeds het vloeibare gevoel van die woorden voor regen herinneren. Hoe de druppels tegen de ruit werden geblazen, daar glansden en omlaag liepen. De woorden voor regen waren beter dan de regen zelf’.

11-05-13

82: Carson

(82) Ciaran Carson, Fishing for Amber: A Long Story, Granta Books, 2000

Het was een stormachtige avond in de Golf van Biskaje en zijn matrozen zaten rondom het vuur. Plotseling zei de kapitein: Vertel eens een verhaal, kapitein. En de kapitein begon: Het was een stormachtige avond in de Golf van Biskaje …

15-04-13

81: Dostojewski

(81) F.M. Dostojewski, De dubbelganger. Een Petersburg epos (D. Peet), L.J.Veen, z.j.

Het scheen, dat alles in orde was, zoals het behoorde te zijn, dat wil zeggen: de sneeuw warrelde nog heviger, dichter en groter neer, op een afstand van twintig passen was geen zier te zien, de lantaarns gierden nog snerpender dan eerst, en de wind, zo leek het, rekte nog klaaglijker, nog jammerlijker zijn mistroostig lied, gelijk een vasthoudende bedelaar die een koperen groschen probeert af te smeken om zich te kunnen voeden.

14-03-13

80: Waugh

(80) Evelyn Waugh, Onze speciale correspondent seint … Een roman over journalisten (E.H. Elias), De Magneet/Scoop, 1933

Sommigen werden gesteund door ijzeren hoepels en krukken, anderen waren met cement gevuld; sommigen konden zelfs nu in Juni slechts een handjevol groene bladeren laten zien aan de uiterste takken. Het sap liep dun en langzaam; na een stormachtigen nacht lag altijd veel dor hout verspreid over den grond.

11-02-13

79: Oppenheim

(79) E. Phillips Oppenheim, De verdwijning van sir Adam (Henk de Rijk), Het Spectrum, 1968

Het was een regenachtige dag in mei en de regendruppels van een stortbui die kort tevoren was losgebroken, biggelden langs de ruit. Maar ondanks dat was het gezicht van het standbeeld nog duidelijk zichtbaar.

16-01-13

78: Malamud

(78) Bernard Malamud, De gratie Gods (Dorinde van Oort), Meulenhoff, 1984

Op natte dagen dimde Cohn de petroleumlamp en draaide, terwijl het buiten stormde en stortregende, platen op de koffergrammofoon. Ondanks de hevige storm zat George de gorilla dan, onder een druipende acacia, doorweekt tot op zijn huid, zijn kletsnatte hoofd gebogen op zijn borst, door de wind heen te luisteren naar het beverige gebalk van Cohns vader de cantor.

25-12-12

77: den Doolaard

(77) A. den Doolaard, De druivenplukkers (1931), Querido, 1948

Het regende en woei. Het water vloog in stofdroppels over de akkers, tussen de kasteelmuur en het dorp Daix. Tussen twee buien glom Dijon vochtig in de verte.

05-12-12

76: Gaarder

(76) Jostein Gaarder, De wereld van Sofie (Janke Klok, Lucy Pijttersen, Kim Snoeijing, Paula Stevens), Houtekiet/Fontein, 1994

Plotseling werd de kamer fel verlicht door een blauwachtig licht. Een paar seconden later hoorden ze een knetterende donderslag, het huis schudde op zijn grondvesten. (…) Sofie rende het natte sportveld over. Toen zag ze iemand op haar af komen lopen. Het was haar moeder. Een paar keer werd de stad getroffen door felle bliksemflitsen.

03-11-12

75: du Maurier

(75) Daphne du Maurier, De vogels (Anita van der Ven), Loeb, 1989

De slaapkamer in het arbeidershuisje lag op het oosten. Nat werd om even over tweeën wakker en hoorde de oostenwind, koud en droog. Hij huilde hol in de schoorsteen en een losse dakpan klepperde op het dak. Nat luisterde, hij kon de zee horen bulderen in de baai.