30-03-18

178: Polet

(178) Sybren Polet, Mannekino, De Bezige Bij, 1973

Het was als een dreigende wind die zachtjes begon op te komen onder zijn kleren, zijn huid, een die hij zelf bezig was op te roepen, zoals je een angstvisioen of een nachtmerrie kon oproepen door er bang voor te zijn. Ik heb het gevoeld, dacht hij, ik heb het voorvoeld.

19-03-18

177: Kelk

(177) C.J. Kelk, Wie ik tegenkwam, Nijgh & Van Ditmar, 1981

Geachte Heer Kelk,

(…) ‘Uw taal vertelt me net als Uw pantoffels een ding: het vertelt me hoe ‘de Hollander’ is en leeft en woont. Ik zie de gezellige, gesloten, rijk gestoffeerde en verwarmde binnenhuizen, ik zie de asfaltstraten in de regen en de gestolde huizenblokken, ik zie in grauw geklede mensen, die zich altijd ergens heen spoeden, ik zie geen horizon.’ 

08-03-18

176: Blume

(176) Judy Blume, Dat pestgeld (Lidi Luursema), Leopold, 1981

Maartse buien die bedui’en dat ’t voorjaar aan komt kruien, zeggen ze. Buien, haha! ’t Plenst dag in dag uit, ik word er doodziek van.

01-03-18

175: de Groot

(175) Cornets de Groot, Striptease, Nijgh & Van Ditmar, 1980

De stilte is er stil van het geschreeuw van horden van apen. Maar in de diepte bruist de zee, en de wind vaart in de bomen, ginds in de hoogte.