22-02-18

174: de Maupassant

(174) Guy de Maupassant, Vlieg en andere verhalen (Yanik Kuyten), Loeb/Bruna, 1983

In zijn blauwe hemd en met zijn zwarte pet met rode bies op, volgde hij de smalle paadjes dwars door de koolzaad-, haver- en korenvelden waarin hij tot aan zijn schouders verdween zodat zijn hoofd leek te deinen op een kalme, groenige zee, waarover een windje nu en dan een lichte rimpeling blies.

16-02-18

173: Kafka

(173) Franz Kafka, Het proces (Alice van Nahuys), Querido, 1947

Zonder bijzondere reden, alleen om voorlopig niet terug te moeten naar zijn schrijftafel, opende hij het venster. Het ging moeilijk open, hij moest met beide handen aan de kruk draaien. Toen trok de met rook vermengde nevel door de volle breedte en hoogte van het raam de kamer in en vulde haar met een lichte brandlucht. Er werden ook enkele sneeuwvlokken naar binnen gewaaid. ‘Een akelig najaar,’ zei achter K. de fabrikant, die, van de adjunct-directeur komend, ongemerkt de kamer binnengetreden was.

05-02-18

172: Baaijens

(172) Arita Baaijens, Een regen van eeuwig vuur, Contact, 1993

Het stormachtige weer houdt aan. Als de regen even wijkt, blaast de wind onophoudelijk een witte waas van fijne kalkdeeltjes over ons heen die vastkoekt aan alles wat nat is. De kamelen zitten er zielig en verregend bij, soms lopen we een stuk om de stramme spieren te strekken. (…) Tegen elkaar aangepropt liggen we uur na uur in het smalle gangetje tussen de tassen, luisterend naar het gieren van de wind en het tikken van de regen. Condens druipt naar beneden, af en toe pook ik met een vuist tegen het zeil om het verzamelde regenwater weg te laten lopen.