24-11-17

163: Diekmann

(163) Miep Diekmann, Marijn bij de Lorredraaiers, Leopold, 1979


‘Luister!’ zei Knikkertje en ze hief haar hoofd op. Onverwacht was er een gierende wind opgestoken. Ze zochten met hun voeten steun in de grote schietgaten van de verschansing en bogen zich alle drie over de rand. Sluiers spatwater werden door de wind aangevoerd en stortten zich op de lage wallekant van De Punt, aan de voet van het Fort. (…) ‘Wat is er dan?’ schreeuwde Oeba bang, boven het geweld van de weer opstekende wind uit. ‘Orkaan!’ schreeuwde Marijn terug. Maar niemand hoorde het. Want de alles vernietigende golf had zich over het stadje gestort.

20-11-17

162: Montgomery

(162) L.M. Montgomery, Een bruiloft in Avonlea (Martha Heesen), Fontein, 1980

Door het geraas van de storm klonk het gebonk van afgerukte takken die tegen het huis sloegen en het scherpe geluid van brekend glas. In drie minuten was elke ruit in de westelijke en noordelijke gevel gebroken en de hagel sloeg door de openingen en bedekte de vloer met stenen, waarvan de kleinste zo groot was als een kippenei. Drie kwartier lang hield het noodweer onverminderd aan en niemand die het meemaakte is het ooit vergeten.

02-11-17

161: Oz

(161) Amos Oz, Onder vrienden (Hilde Pach), De Bezige Bij, 2003

De kleur van de hemel was paarszwart, terwijl de wolken die werden voortgestuwd door de wind zwaar en donker leken. Het hele erf van de kibboets was in diepe rust. De lantaarns op het hek tekenden bleke gele plassen. (…) Regen en wind beukten op het raam van zijn kamer. Een zinken wasteil die buiten aan de spijlen van het balkonhek hing, sloeg tegen de ochtend, toen het harder ging regenen en waaien, met een hol geluid tegen het hek.