24-12-16

142: Watson

(142) SJ Watson, Voor ik ga slapen (Caecile de Hoog), Ambo/Anthos, 2011

We bevinden ons op de snelweg en rijden de stad uit. Het is gaan regenen; grote druppels slaan tegen de voorruit, houden heel even hun vorm en glijden dan snel langs het glas naar beneden. In de verte verdwijnt de ondergaande zon achter de wolken en het beton en glas om ons heen wordt in een zachte oranje gloed gedompeld. Het is schitterend maar ook verschrikkelijk.

01-12-16

141: Márai

(141) Sándor Márai, Gloed (Mari Alföldy), Wereldbibliotheek, 2000

Op dat ogenblik scheurt een windvlaag de ramen open. De zijden gordijnen beginnen te wapperen, de zware kristallen kroonluchter komt ook in beweging, als op een groot schip, wanneer de storm losbarst. De hemel wordt even verlicht, een zwavelgele flits doorklieft de nacht, zoals een gouden zwaard het lichaam van het slachtoffer splijt. De storm raast nu door de kamer en dooft enkele schuchter flakkerende kaarsvlammen; dan wordt het plotseling donker.