01-12-16

141: Márai

(141) Sándor Márai, Gloed (Mari Alföldy), Wereldbibliotheek, 2000

Op dat ogenblik scheurt een windvlaag de ramen open. De zijden gordijnen beginnen te wapperen, de zware kristallen kroonluchter komt ook in beweging, als op een groot schip, wanneer de storm losbarst. De hemel wordt even verlicht, een zwavelgele flits doorklieft de nacht, zoals een gouden zwaard het lichaam van het slachtoffer splijt. De storm raast nu door de kamer en dooft enkele schuchter flakkerende kaarsvlammen; dan wordt het plotseling donker. 

De commentaren zijn gesloten.