29-03-10

14: Mendoza

(14) Eduardo Mendoza, De stad der wonderen (Francine Mendelaar & Harriet Peteri), Arena, 1988

Het was een gure winteravond: de wind deed de regen tegen de ruiten kletteren. Zoals gewoonlijk had hij zich teruggetrokken in de bibliotheek. In de open haard brandden houtblokken: door het licht van de vlammen werd de schaduw van de markies, die bij het vuur was komen staan om zijn verkleumde botten te warmen, gigantisch.

22-03-10

13: London

(13) Jack London, De kruistocht van de ‘Snark’, Erasmus, z.j.

‘Stel je eens voor,’ zei ik dan tegen Charmian, ‘een storm op de Chineesche kust, en de ‘Snark’ bijgedraaid, met dien prachtigen boeg die recht in den storm bijt. Geen druppel zal er over dien boeg komen. Ons bootje zal zoo droog als een kurk zijn, en wij zullen met z’n allen beneden whist zitten spelen, terwijl de storm over ons heen giert.

16-03-10

12: McCarthy

(12) Cormac McCarthy, Kind van God (Guido Golüke), De Arbeiderspers, 1994

Toen hij weer de weg op liep, was het gaan waaien. Er sloeg ergens een deur, een spookachtig geluid in het lege bos. Hoog boven in de toren ging een deur piepend open en knalde weer dicht. Ballard keek om zich heen. Stukken golfplaat rammelden en bonkten in de wind en van het kale erf rond de loods van de steengroeve kwam een witte stofwolk aanwaaien.

08-03-10

11: Dickens

(11) Charles Dickens, Schetsen van Boz (J.A. De Groot-Brantjes), Het Spectrum, z.j.

Het geluid van houten tripschoenen, het geruis van paraplu’s en het rammelen van de winkelluiken door de wind leggen getuigenis af van het gure weer. De politieagent, met zijn oliejas tot zijn kin toegeknoopt, draait zich om, teneinde een wind-vlaag te ontgaan die hem de regen in het gezicht jaagt, en kan zichzelf niet bepaald gelukwensen met het vooruitzicht hier nog lang op post te staan.

03-03-10

10: Oë

(10) Kenzaburo Oë, Zijn ze plotseling hun mond verloren?, uit De hoogmoedige doden (Noriko & Pim de Vroomen), Meulenhoff, 1973

Opeens ging de zon onder. De bergen die het dal omringden werden donker. De wind kwam opzetten en rukte aan het gras onder de kastanjebomen. De schemering viel.