16-12-08

312 * Petry

(312) Yves Petry, Het jaar van de man, De Bezige Bij, 1999

 

In Humburg, Noordwest-Europa, was eindelijk, aan het einde van een vriendelijke oktobermaand, de herfst met razend vertoon komen binnenvaren. Het regende. Het hield maar aan. Het waaide. De wind blies menig kapsel op. (…) Gisteren was de wind beginnen aan te trekken en wervelende witte wolkenmassa’s drongen op naar het oosten. En vanmorgen werd deze grillige schare opgevolgd door een opeengepakte grijsheid vol purperen builen die over heel haar lengte en breedte neerkletterde op alles wat zich buiten waagde. Een verpletterend leger dook op uit de zee om over het land de hegemonie van het water te vestigen, elke druppel een soldaat. Het nauwste spleetje werd nat. Een woedende zondvloed wurmde zich in alle kieren, boorde zich de stenen in, spoelde het stof uit alle gaatjes. Alles werd besproeid tot op de naad. De aarde werd verkracht. Ondersteboven gespat kotste ze modder uit, en gras, en haar laatste bloemen. De mensen leken voor de helft ziek in bed te liggen, zo verlaten waren de meeste straten, en de andere helft, ingepakt tegen de wolkenvloed en opgejaagd door watervrees, stond schijnbaar op het punt van instorten.

De commentaren zijn gesloten.