30-05-07

149 * Van Camp

(149) Gaston Van Camp, Livia van Rome, Davidsfonds, 1972

 

Gelukkig trok een nieuwe bliksem een hoekige krabbel over de wolken, zodat Zepoer zijn verwensingen moest onderbreken om een schrille fluittoon uit te brengen. (…) Tot overmaat van ramp begon het te stortregenen. In een handomdraai spande de regen een grijs gordijn over de zee.

26-05-07

148 * Verhaeghen

(148) Paul Verhaeghen, Lichtenberg, Meulenhoff/Manteau, 1996

 

En dus sprong Eucalypta in het holst van de lentenacht (de lucht vol feromonen, de wind in stijve bries noordwest) op haar bezem. Ze liet zich meewaaien tot aan Paulus’ stulp, vastbesloten daar niet vandaan te gaan tot de wind zuidoost zou staan, hetgeen De Bilt slechts voor de komende week verwachtte.

20-05-07

147 * Vanderschaeghe

(147) Paul Vanderschaeghe, De soldaat zonder schoenen, Den Gulden Engel/De Clauwaert, 1988

 

… en hij hoorde de stem van de man weer en de lokkende tortels in de kelen en het suizen van de wind; hij rook het gras en de aarde en de warmte in de aarde (en grootmoeder nu in de aarde en grootvader, al enige tijd onder de regen; …

17-05-07

146 * Vandromme

(146) Luc Vandromme, Het oog van Maria Concepción, De Geus, 2002

 

De vanillestokjes rijpten van groen naar bruin en geurden aanvankelijk zalig zoet. Toen deed de tijd zijn verwoestende werk. Op de hete vochtige wind van het regenseizoen dreven miljarden insecten mee in de richting van de bedwelmende toverstokjes. Wat niet in de minuscule maagjes verdween, verschrompelde of verrotte tijdens de natte najaarsstormen.

13-05-07

145 * Vandenbroucke J

(145) Johan Vandenbroucke, Verzonnen vrouwen, De Arbeiderspers, 1998

 

Ik vertelde over bejaarde minnaars die elkaar dagelijks beslapen, over het geluk van regen op het dak die niet blijft duren, over de prinses van Karachi, de prinses die maar niet kwam.

10-05-07

144 * Vermeulen J

(144) John Vermeulen, Tussen God en de zee, Kramat, 2004

 

Huilend en krijsend als een legioen verdoemde zielen, kwam de storm eraan, bergen van kokend, kolkend en ziedend water voor zich uit jagend.

08-05-07

143 * Vander Veken

(143) Ingrid Vander Veken, Papavers, Manteau, 1997

 

Dan sta ik buiten. Waar regen en wind zijn. Waar fietsen en auto’s en trams rijden.

04-05-07

142 * De Vos

(142) Luc De Vos, De rest is geschiedenis, Atlas, 2004

 

Mijn land ligt verzopen maar ik reis met de trein naar het zuiden. Naar de hoge bergen waar de wind de doem van waarheid en werkelijkheid wegjaagt. Ik ben op weg naar Lourdes.