31-12-06

93 * Roelants

(93) Maurice Roelants, Komen en gaan, Manteau, 1968 (1927)

 

‘Er is onweer op komst,’ zei hij nadenkend, ‘en ’t zal voor ons zijn.’ Op de zelfde stond vlamde een bliksem achter de kerk. (…) Na een korte poos woei een lucht vol gebimbom met rukken rond de arduinen toren. De nacht was dik en ondoordringbaar donker geworden en in de bomen rond de kerk gierde een woest klotsen, waarin het trillend brons schuifelde als een noodfluit.

29-12-06

92 * Depeuter

(92) Frans Depeuter, De laatste zomer, De Clauwaert, 1984

 

Het haardvuur knappert, het is goed in de woonkamer, een warme regen ritselt tegen de ruiten.

25-12-06

91 * Simenon

(91) Georges Simenon, De stille aanbidder van mevrouw Maigret, Bruna, 1976 (1944)

 

Slecht weer was te weinig gezegd. Bij het gare Saint-Lazare hing een bordje: Storm over het Kanaal. Overtocht Dieppe – Newhaven onzeker. En veel Engelsen maakten rechtsomkeert naar hun hotel. In de hoofdstraat van Dieppe leek het of de wind de uithangborden van de muren wilde rukken. Als iemand een deur wilde openen, moest hij dat in gebukte houding doen. Het water viel met bakken uit de hemel, sloeg spattend op de straatkeien uiteen; af en toe bewoog een schaduw van iemand die er uit moést en die vlak langs de huizen met zijn jas over zijn hoofd voortrende. Het was november. Om vier uur was het licht al aan. Bij het scheepvaartkantoor lag de boot van twee uur nog steeds aan de kade, vlak bij de kleinere schepen waarvan de masten door elkaar slingerden.

23-12-06

90 * Van Paemel

(90) Monika van Paemel, De eerste steen, Meulenhoff, 1988

Het was broeierig zomerweer, de insekten vielen aan, er hing onweer in de lucht. Voor ik de stad uit was begon het te bliksemen en te donderen, er stak wind op, en er pletsten een tiental druppels in het stof, maar echt regenen deed het niet.

22-12-06

89 * Van Goeree

(89) Irina van Goeree, Duizend heuvels over, Hadewijch, 1991

‘Ik word drijfnat,’ zegde ik tot de mij tot dan toe onbekende man, en mijn stem klonk onvast, als we na afloop van een conferentie in het oude pershuis aan de Graanmarkt, in een gutsende regen samen onder één paraplu naar de Grote Markt opstapten.

19-12-06

88 * De Kuyper

(88) Eric de Kuyper, Grand Hotel Solitude, SUN, 1991

Dag en nacht keken ze uit over de zee. Bij stormweer hielden ze de ramen gesloten. De wind loeide en gierde. De gordijnen bewogen zacht heen en weer. Binnen zitten gaf dan een zalig gevoel.

17-12-06

87 * Van den Broeck W

(87) Walter van den Broeck, Brief aan Boudewijn, Elsevier Manteau, 1980

Om kwart voor tien begon het te regenen. Kragen werden opgezet, paraplu’s opgestoken. Niet begrijpend keek men naar de wolken. Wat was er geworden van het eeuwenoude verbond tussen de Grote Regenmaker en het Vorstenhuis? Wilde Hij met die regen iets bepaalds tot uitdrukking brengen?

15-12-06

86 * Carlier

(86) Libera Carlier, Action Station-Go, Standaard, 1980

 

De regen komt. Immer durende motregen met windkracht vijf en een lange ongetande deining. Het schip rolt en stampt, nat en kleverig. (…) Na de regen valt de wind. De zee staat altijd hol. Dan komt de mist.

13-12-06

85 * Pleysier

(85) Leo Pleysier, De razernij der winderige dagen, De Bezige Bij, 1978

Op de Noorderplaats, bij het naderen van de havendokken, heeft hij gemerkt hoe de wind ineens krachtig van alle kanten over het verkeerskruispunt woei. Hij heeft er de voetgangers gezien die met wapperende kleren over de stoep liepen.

12-12-06

84 * Albers

(84) Frank Albers, Angst van een sneeuwman, Soethoudt, 1982

 

Het stortregent. Ineengedoken ondergaan de auto’s het geweld van de spetterende droppels.

09-12-06

83 * Plouvier

(83) Bart Plouvier, Uit het meer, Dedalus, 1990

 

De scherpe decemberwind raasde door de drooggevroren straten en joeg slierten stuifsneeuw als haastige witte slangen over het voetpad voort. Het hese zingen van de wind en het geklepper van een brievenbus waren de enige geluiden die de stilte trotseerden.

07-12-06

82 * Gilliams

(82) Maurice Gilliams, Oefentocht in het luchtledige, De Nederlandsche Boekhandel, 1933

 

OTOPHOON

 

In een boek kan men niet elk woord tusschen haakjes zetten, zooals men niet elke schouw van een huis dichtmetselen kan voor de huilende wind.

05-12-06

81 * Robberechts

(81) Daniël Robberechts, Dagboek ’64 – ’65, Manteau, 1984

 

M 1702   Geen post. Maar dan heb ik tenminste de postbode niet voorbij het huis zien rijden. Donker weer, windvlagen, regen en gesmolten sneeuw.

Zo 0609   De ganse dag regen. Een weinig bladeren van de populier die al geel zijn, maar dan vallen ze weldra, zodat de boom groen blijft.

03-12-06

80 * Van de Woestijne

(80) Karel van de Woestijne, Goddelijke verbeeldingen, W.P. van Stockum, 1918

… er grolde een late donder;

01-12-06

79 * Boudens

(79) Boudens, Het lijden van De Jonge Werner, Dedalus, 1990

 

De Jonge tuurde naar het wolkendek. ‘Ah, bewolkt.’ Het kon onmogelijk nog kapot. Eindelijk hadden de goden, de muzen hem gegeven waar hij in stilte al zo lang om had gesmeekt: een prachtige, volle werkdag waarop hij bergen arbeid zou weten te verzetten.