16-04-18

180: Heeresma

(180) Heere Heeresma, Kleppen en ventielen, de Prom bibliofiel nr. 813, 1985

Nu, vannacht, schreeuwt en joelt de tramontane door de dalen en ravijnen, huilt rond de toppen en komt fluitend van de hellingen naar beneden met windkracht twaalf; doet een luik in het huis klappen en de kastanjebomen kermen. Mensekinderen, wat een weder! Maar plotseling breekt de stormwind los en vliedt vernielende door het bos… en rukt de takken van krachtige eiken, vernielt grote schepen en beu-eukt hoge dijken.

10-04-18

179: Cartens

(179) Jan Cartens, Een papieren glimlach, Manteau, 1985

De grond lag vol dorre naalden en dat verheimelijkte zijn stappen. (…) Maar boven zijn hoofd was enkel het dunne geruis van dennekruinen te horen die zacht heen en weer bewogen.

30-03-18

178: Polet

(178) Sybren Polet, Mannekino, De Bezige Bij, 1973

Het was als een dreigende wind die zachtjes begon op te komen onder zijn kleren, zijn huid, een die hij zelf bezig was op te roepen, zoals je een angstvisioen of een nachtmerrie kon oproepen door er bang voor te zijn. Ik heb het gevoeld, dacht hij, ik heb het voorvoeld.

19-03-18

177: Kelk

(177) C.J. Kelk, Wie ik tegenkwam, Nijgh & Van Ditmar, 1981

Geachte Heer Kelk,

(…) ‘Uw taal vertelt me net als Uw pantoffels een ding: het vertelt me hoe ‘de Hollander’ is en leeft en woont. Ik zie de gezellige, gesloten, rijk gestoffeerde en verwarmde binnenhuizen, ik zie de asfaltstraten in de regen en de gestolde huizenblokken, ik zie in grauw geklede mensen, die zich altijd ergens heen spoeden, ik zie geen horizon.’ 

08-03-18

176: Blume

(176) Judy Blume, Dat pestgeld (Lidi Luursema), Leopold, 1981

Maartse buien die bedui’en dat ’t voorjaar aan komt kruien, zeggen ze. Buien, haha! ’t Plenst dag in dag uit, ik word er doodziek van.

01-03-18

175: de Groot

(175) Cornets de Groot, Striptease, Nijgh & Van Ditmar, 1980

De stilte is er stil van het geschreeuw van horden van apen. Maar in de diepte bruist de zee, en de wind vaart in de bomen, ginds in de hoogte.

22-02-18

174: de Maupassant

(174) Guy de Maupassant, Vlieg en andere verhalen (Yanik Kuyten), Loeb/Bruna, 1983

In zijn blauwe hemd en met zijn zwarte pet met rode bies op, volgde hij de smalle paadjes dwars door de koolzaad-, haver- en korenvelden waarin hij tot aan zijn schouders verdween zodat zijn hoofd leek te deinen op een kalme, groenige zee, waarover een windje nu en dan een lichte rimpeling blies.

16-02-18

173: Kafka

(173) Franz Kafka, Het proces (Alice van Nahuys), Querido, 1947

Zonder bijzondere reden, alleen om voorlopig niet terug te moeten naar zijn schrijftafel, opende hij het venster. Het ging moeilijk open, hij moest met beide handen aan de kruk draaien. Toen trok de met rook vermengde nevel door de volle breedte en hoogte van het raam de kamer in en vulde haar met een lichte brandlucht. Er werden ook enkele sneeuwvlokken naar binnen gewaaid. ‘Een akelig najaar,’ zei achter K. de fabrikant, die, van de adjunct-directeur komend, ongemerkt de kamer binnengetreden was.

05-02-18

172: Baaijens

(172) Arita Baaijens, Een regen van eeuwig vuur, Contact, 1993

Het stormachtige weer houdt aan. Als de regen even wijkt, blaast de wind onophoudelijk een witte waas van fijne kalkdeeltjes over ons heen die vastkoekt aan alles wat nat is. De kamelen zitten er zielig en verregend bij, soms lopen we een stuk om de stramme spieren te strekken. (…) Tegen elkaar aangepropt liggen we uur na uur in het smalle gangetje tussen de tassen, luisterend naar het gieren van de wind en het tikken van de regen. Condens druipt naar beneden, af en toe pook ik met een vuist tegen het zeil om het verzamelde regenwater weg te laten lopen. 

31-01-18

171: Sanders

(171) Leonard Sanders, De Hamlet dreiging (Dolf Koning), Omega/Bruna, 1979

Santo Domingo, de oudste stad op het westelijk halfrond, lag blakerend onder een zacht tropisch windje van de rusteloze Caribische Zee.

24-01-18

170: Fowles

(170) John Fowles, Het liefje van de Franse luitenant (Frédérique van der Velde), Bruna, 1977

Oostenwind is de onaangenaamste wind in de baai van Lyme – de baai van Lyme is die grootste hap uit de onderkant van Engelands uitgestrekte zuidwestelijke been – en een nieuwsgierig mens zou onmiddellijk allerlei sterke waarschijnlijkheden hebben kunnen afleiden uit het paar dat de kade begon af te lopen van Lyme Regis, het kleine maar zeer oude stadje dat zijn naam had afgeleid van de hap, op een snerpend koude en winderige ochtend laat in maart van het jaar 1867.

12-01-18

169: Stoute

(169) René Stoute, Uit het achterland, De Arbeiderspers, 1985

De winter legt over alles een ijskoude, zwiepende wind die een permanent gevoel van onbehagen oproept en van elke dag een doodsaanzegging maakt. In mijn herinnering zijn de zomers kort en de winters lang en guur.

07-01-18

168: Shute

(168) Nevil Shute, De droom van Ross (J.P. van der Veere), Elsevier, 1983

Het was een frisse, zonnige ochtend met een harde wind van de ijskap; meeuwen vlogen met scherp gekrijs om hen heen, het blauwe water van de fjord brak in een kleine branding op het zand. Er was al een zweem van herfst in de lucht.

31-12-17

167: Mendels

(167) Josepha Mendels, Alles even gezond bij jou, Meulenhoff, 1953.

Wel werd op de hoogste verdieping van de huizen het goed op de daken te drogen gelegd, dikwijls bewaakt door een kater. Het leek wel of er lijm aan die pannen zat, zo strak bleef alles liggen, zelfs bij een forse wind.

23-12-17

166: Follett

(166) Ken Follett, Door het oog van de naald (Ronald Cohen), Bruna, 1991

De wind gierde nu over de koppen van de golven. Windstoten met de kracht van een orkaan en duizenden liters water probeerden hem van zijn plaats te sleuren. Telkens wanneer het bliksemde, ving hij gedurende de korte flits de nachtmerrieachtige aanblik van de zee op.

12-12-17

165: Kishon

(165) Ephraim Kishon, Bedriegen is ook een kunst (Gerda Pancras), Manteau, 1985


‘In die tijd werd ook de prijs voor kachelpetroleum met 210 procent verhoogd, als ik mij niet vergis.’
‘Welnee, Sara, je haalt alles door elkaar. De petroleumprijs werd verhoogd toen de nationale fijnzandmolen er bij experimenten met kunstregen 250 miljoen doorheen had gejaagd.’
‘Hoezo? Viel er dan geen regen?’
‘Dat wel, maar hij werd gestolen.’

02-12-17

164: Pauka

(164) Tom Pauka, De meidenziekte, Querido, 1983

Er veranderde weer iets in de indeling van het licht en de wind gaf een paar extra rukken aan de bomen, alles ging voort behalve ik, ik stond nu overal buiten. (…) Wolken bedekten bij deze wind in een mum van tijd het hele dakraam.

24-11-17

163: Diekmann

(163) Miep Diekmann, Marijn bij de Lorredraaiers, Leopold, 1979


‘Luister!’ zei Knikkertje en ze hief haar hoofd op. Onverwacht was er een gierende wind opgestoken. Ze zochten met hun voeten steun in de grote schietgaten van de verschansing en bogen zich alle drie over de rand. Sluiers spatwater werden door de wind aangevoerd en stortten zich op de lage wallekant van De Punt, aan de voet van het Fort. (…) ‘Wat is er dan?’ schreeuwde Oeba bang, boven het geweld van de weer opstekende wind uit. ‘Orkaan!’ schreeuwde Marijn terug. Maar niemand hoorde het. Want de alles vernietigende golf had zich over het stadje gestort.

20-11-17

162: Montgomery

(162) L.M. Montgomery, Een bruiloft in Avonlea (Martha Heesen), Fontein, 1980

Door het geraas van de storm klonk het gebonk van afgerukte takken die tegen het huis sloegen en het scherpe geluid van brekend glas. In drie minuten was elke ruit in de westelijke en noordelijke gevel gebroken en de hagel sloeg door de openingen en bedekte de vloer met stenen, waarvan de kleinste zo groot was als een kippenei. Drie kwartier lang hield het noodweer onverminderd aan en niemand die het meemaakte is het ooit vergeten.

02-11-17

161: Oz

(161) Amos Oz, Onder vrienden (Hilde Pach), De Bezige Bij, 2003

De kleur van de hemel was paarszwart, terwijl de wolken die werden voortgestuwd door de wind zwaar en donker leken. Het hele erf van de kibboets was in diepe rust. De lantaarns op het hek tekenden bleke gele plassen. (…) Regen en wind beukten op het raam van zijn kamer. Een zinken wasteil die buiten aan de spijlen van het balkonhek hing, sloeg tegen de ochtend, toen het harder ging regenen en waaien, met een hol geluid tegen het hek.

27-10-17

160: van Dis

(160) Adriaan van Dis, Ik kom terug, Augustus, 2014

Mijn moeder legde haar hand naast de hare, boerinnenhand zoekt tropenhand, maar tot een aanraking kwam het niet. De storm van een Hollandse winter werd een oosterse wind die andere sensaties aanjoeg, een zon door tere bladeren die dansende spikkels op je huid tekende, het nagloeien van een zinken dak, de smaak van schaafijs – Saskia’s eerste herinneringen.

13-10-17

159: Catton

(159) Eleanor Catton, Al wat schittert (Gerda Baardman en Jan de Nijs), Ambo/Anthos, 2014

Buiten werd de gestaag striemende regen onderbroken door een windvlaag die een gordijn van water tegen de ramen op het westen blies.

01-10-17

158: Brouwers

(158) Jeroen Brouwers, Het hout, Atlas Contact, 2014

Op het strand, ik ben zeventien. Stormwind uit zee slaat schuim tegen me aan. Met schokkend bewegende kleren sta ik scheef in het stuifzand, mijn versnipperde stemmetje schreeuwt tegen de elementen. Armen gespreid voor een omhelzing leun ik voorover, me schragend tegen de wind als tegen een lichaam. Van een wilde vrouw. De wilde wind grijpt in mijn broek. Zo kan ik blijven staan tot de stormmuur me plotseling niet meer tegenhoudt en ik mijn evenwicht verlies en val, door mijn knieën stuikend in het schurende zand.

23-09-17

157: Hawkins

(157) Paula Hawkins, Het meisje in de trein (Miebeth van Horn), A.W. Bruna, 2015

Ik zit op het terras op de regen te wachten. De hemel is zwart boven mijn hoofd, zwaluwen vliegen in lussen en duiken omlaag, de lucht is dik van het vocht.

09-09-17

156: Indrodason

(156) Arnaldur Indrodason, Onderstroom (Adriaan Faber), Querido, 2010

Het was rustig in de bakkerswinkel waar Aslaug werkte. Bij de deur hing een bel die een onaangenaam gerinkel liet horen toen Elinborg er naar binnen ging. De noordenwind was nog verder aangetrokken en joeg Elinborg nu bijna met zweepslagen de winkel in. De behaaglijke geuren van versgebakken brood en taarten drongen haar neus en mond binnen.

29-08-17

155: Preston & Child

(155) Preston & Child, Wit vuur (Marjolein van Velzen), Luitingh-Sijthoff, 2014

Opnieuw pakte ze zich warm in en begaf ze zich de sneeuwstorm in. Het was bemoedigend om te zien dat behalve de sneeuwploegen niemand op pad was – de straten lagen er verlaten bij. Een deel van de kerstversieringen, groene guirlandes en linten, was losgewaaid en bungelde klapperend en fladderend aan de lantaarnpalen en spandoeken. Complete lichtstroken waren losgeraakt en hingen verloren te sputteren.

11-08-17

154: Binet

(154) Laurent Binet, HhhH – Himmlers hersens heten Heydrich (Liesbeth van Nes), Meulenhoff, 2010

Maar buiten zijn de wolken in het dal zwaarder geworden en als hij niet voortmaakt, kan zijn vliegtuig niet opstijgen. Men brengt hem naar het exercitieveld, waar hem de eer toevalt de troepen te inspecteren. (…) Heydrich stort zich in het vliegtuig dat met draaiende motoren aan het eind van de startbaan op hem wacht. Net voor het onweer losbarst, stijgt het op. In de kletterende regen zetten de troepen van de vier Einsatzgruppen zich onmiddellijk in beweging. 

25-07-17

153: Japin

(153) Arthur Japin, Een schitterend gebrek, De Arbeiderspers, 2003

Toen steigerden de paarden, die vastgebonden stonden, alsof ze het onheil aanvoelden, en een tel later rukte de wind opnieuw aan takken en aan daken. Mijn jurk bolde als een zeil. Ik werd erdoor onderuitgehaald en enkele meters over het erf meegesleurd.

02-07-17

152: Schuller

(152) Michelle Schuller, Wilde nacht (Maria Noordman), De Geus, 1995

De wind schudde nu de bomen in hun geheel met luid gekreun heen en weer, de bijna zwarte lucht leek dicht tegen de grond aan te drukken (…) Er flitste een bliksem tussen de takken door, ver weg rommelde de donder en een paar kinderen zetten het op een huilen.

15-06-17

151: Mak

(151) Geert Mak, Reizen zonder John. Op zoek naar Amerika, Atlas Contact, 2012.

Steinbeck ziet vanuit zijn huis de orkaan erop los hameren ‘als een vuist’. De hele top van een eik kraakt naar beneden. Bij de volgende vlaag gaat een van de ramen in stukken. Boten slaan van hun touwen, rammen elkaar. Dan ziet hij hoe zijn geliefde motorscheepje, de Fayre Eleyne, door twee van die losgeslagen boten wordt klemgezet en ‘vechtend en protesterend’ tegen een naburige steiger wordt gedrukt. Eerder had Steinbeck wel eens geschreven dat stormen en andere extreme weersomstandigheden een zwaktebod zijn om een boek mee te beginnen, maar nu trekt hij zich daar niets van aan. Met smaak beschrijft hij hoe hij, ondanks de smeekbeden van Elaine, naar buiten gaat en op de ondergelopen steiger springt om zijn ‘jammerende’ boot te redden.

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende