23-03-17

147: Läckberg

(147) Camilla Läckberg, Vuurtorenwachter (Elina van der Heijden & Wiveca Jongeneel), Ambo/Anthos, 2011

Ze huiverde en sloeg haar armen om zich heen. Hoewel het buiten eigenlijk niet koud was, leek het alsof de wind die nu over het eiland gierde dwars door de muren van het huis, haar dikke kleren en haar huid ging en haar botten binnendrong.

01-03-17

146: Möring

(146) Marcel Möring, Dis, De Bezige Bij, 2008

Toen de bosrand brak stond hij tussen de bomen en keek naar het grauwe water van de grote vijver. De donkere lucht joeg. Wolken scheurden en rafelden boven de zwarte muur van het bos aan de andere kant, regen zweepte het asfalt van de boslaan.

16-02-17

145: Roberts

(145) Nora Roberts, Thuishaven (Mariëlla Snel), Meulenhoff Boekerij, 1998

De vochtige, bijtende wind verkleumde je tot op het bot. Sneeuw van een sneeuwstorm eerder in de week lag in onregelmatige hoopjes langs de weg. De lucht was bitterblauw. Streng ogende bomen met kale, zwarte takken stonden in het door de winter gebruinde gras en schudden hun ledematen als vuisten tegen de kou. Zo was maart in Maine.

23-01-17

144: Hébert

(144) Anne Hébert, De zeezotten (A.L.S. Frans o.l.v. Pauline Sarkar), Thoth, 1988

In dit hele verhaal speelt de wind een grote rol, de aanwezigheid van de wind, zijn striemende stem in onze oren, zijn ziltige adem op onze lippen. Er is in dit land geen gebaar van man of vrouw dat niet wordt begeleid door de wind. Haren, jurken, hemden, broeken klapperen in de wind om de naakte lichamen. De zeewind dringt door onze kleren heen, ontbloot onze borst, die met een laagje zout is bedekt. Hij blaast dwars door onze poreuze ziel. Het heeft hier altijd te hard gewaaid en wat gebeurd is, was slechts mogelijk door de wind, de wind die je in een roes brengt en gek maakt.

05-01-17

143: de Rosnay

(143) Tatiana de Rosnay, Haar naam was Sarah (Monique Eggermont & Kitti Pouwels), Artemis & Co, 2007

Ze staarde uit het raam en dacht aan Parijs dat elke minuut dichterbij kwam en haar dichter bij Michel bracht. Ze zag hoe de laaghangende grijze wolken zich samenpakten, de eerste dikke regendruppels tegen het glas spetterden en omlaag dropen, geplet door de wind.

24-12-16

142: Watson

(142) SJ Watson, Voor ik ga slapen (Caecile de Hoog), Ambo/Anthos, 2011

We bevinden ons op de snelweg en rijden de stad uit. Het is gaan regenen; grote druppels slaan tegen de voorruit, houden heel even hun vorm en glijden dan snel langs het glas naar beneden. In de verte verdwijnt de ondergaande zon achter de wolken en het beton en glas om ons heen wordt in een zachte oranje gloed gedompeld. Het is schitterend maar ook verschrikkelijk.

01-12-16

141: Márai

(141) Sándor Márai, Gloed (Mari Alföldy), Wereldbibliotheek, 2000

Op dat ogenblik scheurt een windvlaag de ramen open. De zijden gordijnen beginnen te wapperen, de zware kristallen kroonluchter komt ook in beweging, als op een groot schip, wanneer de storm losbarst. De hemel wordt even verlicht, een zwavelgele flits doorklieft de nacht, zoals een gouden zwaard het lichaam van het slachtoffer splijt. De storm raast nu door de kamer en dooft enkele schuchter flakkerende kaarsvlammen; dan wordt het plotseling donker. 

21-11-16

140: Alvarez

(140) Julia Alvarez, In de tijd van de vlinders (Lon Falger), Luitingh-Sijthoff, 1994

Het regent de hele ochtend, de druppels slaan tegen de luiken en dempen de geluiden in huis. Ik blijf in bed, ik heb geen zin om op te staan en de troosteloze dag het hoofd te bieden.

01-11-16

139: Abdolah

(139) Kader Abdolah, De reis van de lege flessen, De Geus, 1997

Uiteindelijk begon een warme wind te waaien. De jonge blaadjes van de pruimenboom begonnen onder de sneeuw te bewegen aan de takken. (…) Zij kwam met in haar hand een kaars waarvan het vlammetje met de voorjaarswind meehuppelde.

20-10-16

138: Fredriksson

(138) Marianne Fredriksson, Inge en Mira. Een vriendschap tussen twee vrouwen (Janny Middelbeek – Oortgiesen), De Geus, 1999

Nu sloegen heftige rukwinden tegen de deuren en ramen. De wind gierde om de nok van het huis, was opeens verdwenen en liet een beangstigende stilte achter, waarna hij opnieuw met volle kracht toesloeg. De bladeren van de grote bomen op het stuk gemeentegrond woeien in enorme wolken op, dikke takken werden afgerukt en kwamen in razende vaart op Inges tuin af, waar ze de bloemperken vernielden.

09-10-16

137: Heijermans

(137) Hermine Heijermans, Paren in onvrede, Tiebosch, 1977

In het portiek doe ik mijn parapluie dicht en sla de regendruppels de ruimte in vanaf mijn capuchon.

30-09-16

136: de Jong

(136) Oek de Jong, Opwaaiende zomerjurken, Meulenhoff, 1979

Een vlagerige wind stuwde nu de wolken langs de hemel en striemde het gras van de weilanden. Geluiden waren niet langer nauwkeurig van elkaar te onderscheiden.

16-09-16

135: O'Brien

(135) Edna O’Brien, Ik heb je nauwelijks gekend, Johnny (Frédérique van der Velde), Agathon, 1978

Dus opende ik in die kamer in de bergen mijn raam, met de regen buiten, of als het niet regende met de motregen buiten, en keek naar de bladeren die als het ware mijn kant uit waaiden, boog me uit het raam, rook de regen, hoorde de goot overlopen, hoorde het tiktak op de bladeren en af en toe de wind die luider en gebiedender was.

23-08-16

134: Hermans

(134) Willem Frederik Hermans, Au pair, De Bezige Bij, 1989

‘Kan ik Edouard spreken? Ik ben Pauline.’
‘Pauline? Aha, je spreekt met Eliane. Hoe gaat het jou? Heb je geen behoefte aan een regenhoed?’
Een regenhoed? Eliane? O, dat was dat mens met die zelf uitgevonden hoed, waarvan de rand eruitzag als een paraplu.
‘’t Is ontzettend smerig weer. Zonder zo’n hoed van mij word je kletsnat.’

09-08-16

133: Drinkwater

(133) Carol Drinkwater, De olijventijd (Cherie van Gelder), The House of Books, 2003

De regen klettert als geweervuur neer op de ijzeren golfplaten van het dak als we de keet van de douane binnenkomen.

25-07-16

132: Queffélec

(132) Yann Queffélec, Moeras (Ernst van Altena), Kritak Leuven-Goossens BV Rijswijk, 1993

'Gerold in zijn donsdek ging hij naar buiten. De wind blies, het licht was grijs. Een stormachtige hemel haastte zich naar het oosten, scherend over het donkere heideveld van de Veenmossen, met aan de horizon afwisselend schuinvallende regenbuien en gerafelde strepen dageraad.'

12-07-16

131: Setterfield

(131) Diane Setterfield, Het dertiende verhaal (M. Van Gelder), Uitg. Mouria, Amsterdam, 2009, vierde druk

'Ik vertrok op een gewone winterse dag en de trein reed kilometers lang onder een wazig witte lucht. Toen ik overstapte stapelden de wolken zich op. Ze werden dichter en donkerder, steeds gezwollener naarmate ik noordelijker kwam. Ik verwachtte elk moment de eerste druppels op de ruit te horen roffelen.'

21-06-16

130: Claudel

(130) Philippe Claudel, Zonder mij (Manik Sarkar), De Bezige Bij, 2012, vijfde druk

'Ik stond buiten in een wereld vol buien en plassen. Ik kon de hemel bijna niet meer zien. Getoeter vermengde zich met de damp van uitlaatgassen. Mijn haren en voeten waren nu al doorweekt.'

01-06-16

129: van Doorn

(129) Johnny van Doorn, Mijn kleine hersentjes, De Bezige Bij, 1984

Het was een gure novemberavond. De wind gierde om het huis. De regen striemde tegen de ruiten. Binnen was het behaaglijk warm. Uit de keuken kwam de geur van doorbakken kaantjes.

18-05-16

128: Jaensson & Norlin

(128) Håkan Jaensson & Arne Norlin, De bloedzuigers (Jan Bogaerts), Bruna, 1981

Bergsvik een vrijdag tegen eind augustus, een avond waar de mensen ’s winters in de kou en de modderige sneeuwboel van dromen: donker, warm en geurig. De zwoele wind uit de baai gleed ritselend door het gebladerte van de esdoorns, schudde een paar appels in de villatuinen uit de bomen en streelde de weinige mensen die uit waren.

21-04-16

127: Khaksar

(127) Nasim Khaksar, Reis naar Tadzjikistan (Anja de Beer), Van Gennep, 1993

Mijn bezoek aan de ambassade is geen succes. Ik ben er een uur te vroeg. Ik lach naar de man die in de deuropening naar de hemel staat te turen. Ik zeg dat ik voor de aanvraag van een visum gekomen ben. Hij lacht vriendelijk terug en zegt dat ik nog ruim een half uur moet wachten. ‘In de Nederlandse regen,’ zegt hij.

27-03-16

126: Parks

(126) Tim Parks, Bestemming (C.M.L. Kisling), De Arbeiderspers, 1999.

Toen we uit het vliegtuig stapten, viel de regen met bakken uit de lucht, en de zee striemde de rotsen achter de landingsbaan. In de afstand tussen vliegtuigtrap en bus waren we doorweekt. Ik hield mijn vrouws hand vast terwijl we de trap af liepen, voor het geval ze zou uitglijden, en hield mijn jasje boven haar hoofd terwijl we over het asfalt renden.

02-03-16

125: Wolkers

(125) Jan Wolkers, Turks fruit, Meulenhoff, 1969

Plotseling was er een enorme donderslag en de populieren in de duisternis achter in de tuin gingen zwaaien zonder dat je merkte dat er wind was. Toen kletterde ineens de regen neer. Ze dacht beslist dat het mis aan het gaan was, dat de dokter hem niet meer zou kunnen redden. Dat kwam door het onheilspellende onweer en de bliksem die steeds de tuinen helwit verlichtte zodat je een fractie van een seconde al die boompjes zag die je nog nooit eerder van je leven had gezien.

08-02-16

124: Poe

(124) Edgar Allan Poe, Manuscript gevonden in een fles (Hermien Manger, Adrie van Huizen, Maarten Polman), Contact, 2002

De buitensporige woede van de rukwind bleek in hoge mate de redding van het schip te zijn. Hoewel het vol water was gelopen en de masten overboord waren geslagen, rees het na een minuut moeizaam uit de zee omhoog, schommelde nog wat onder de geweldige druk van de storm en richtte zich ten slotte weer op.

17-01-16

123: Gerrard

(123) Nicci Gerrard, Het weerzien (Sabine Mutsaers), Meulenhoff Boekerij, 2008

Een kille motregen spetterde tegen de ruiten en legde een fijn waas over de skyline, waardoor niets meer helemaal scherp was en de daken en bomen een vage en geheimzinnige aanblik kregen.

31-12-15

122: Feith

(122) Rhijnvis Feith, Julie (Ferdinand en Constantia), Het Spectrum, 1964 (1783, 1785)

De wind was intussen opgestoken, en enige kleine, witgezoomde wolken, die door een lange rij van stikdonkere opgevolgd werden, begonnen de maan voor mijn ogen te verbergen. Ik kroop op de tast naar mijn woning.

13-12-15

121: Hildebrand

(121) Hildebrand (Nicolaas Beets), Camera obscura, Prisma, z.j. (1839)

Als het twee dagen van de zeven hard waait, en twee andere dagen hard regent en hagelt dat het een weinig klettert, dan blijven de steelui binnen hun muren, ook zelfs gedurende de drie dagen van de week, die overblijven, waarop de zon bij tijden door de wolken breekt en allerliefst schijnt over de kwijnende natuur;

24-11-15

120: Dendermonde

(120) Max Dendermonde, Verhalen van vroeger, Skarabee, 1983

Pas veel later op de dag, toen de verlegen stilte voor het gekwetter van de vogeltjes onvermijdelijk dikker en dikker werd, is het gebeurd. De clichés over het onweer en de wapperende gordijnen tegen de nachtelijke vensters wil ik niet gebruiken.

07-11-15

119: Kleine

(119) Wim Kleine, De Baron, Bruna, 1982

Het was al weer een paar dagen geleden dat de kalender het begin van de lente had aangekondigd, maar het bleef koud en guur en maartse buien striemden de stad met kille regenvlagen. De baron noemde het ‘museumweer’.

18-10-15

118: Piper

(118) Nikolaus Piper, Felix en het grote geld (Ingeborg Lesener), Bert Bakker, 1999

Een voorjaarsonweer had hem uit zijn slaap gerukt. Buiten kletterde en klaterde de regen. Een bliksemflits wierp venijnige schaduwen tegen de muur, gevolgd door een woedende donderslag. Het was echt griezelig in de kamer. Felix huiverde. Hij liep naar het raam, trok het gordijn opzij en keek naar de wolkbreuk buiten. In het schijnsel van de straatlantaarn zag hij dat het terras beneden in een stuwmeer was veranderd. Een brede beek stroomde dwars over het gras en verdween onder aan de helling in de beukenhaag. De klok van de kerk sloeg vijf keer. Felix sprong weer in zijn bed en luisterde naar de regen.

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende